Biologie van het ree

Reebokken hebben, vergeleken met dam- en edelherten, een relatief klein gewei. Geiten hebben geen gewei. De grote ogen hebben een zwarte iris rond een dwarsgeplaatste pupil en zitten aan de zijkant van de kop. Daardoor hebben reeën een zeer groot gezichtsveld van circa 280° De beweeglijke oren zijn lang en ovaal van vorm. De hals is lang en smal en de romp is gedrongen en ‘overbouwd’: van voren wat zwaarder en lager dan achter. De neus is zwart, terwijl de voorkant van de onderkaak wit is. De staart is een kort stompje dat aan de buitenkant van het lichaam praktisch onzichtbaar is. Door zijn lichaamsvorm en afmetingen is het ree uitermate geschikt om in dichte ondergroei en hoog gras te bewegen. In verhouding tot de romp zijn de lopers – de poten – sierlijk en lang. Door de sterk ontwikkelde dijbeenspieren kunnen reeën verre en hoge sprongen maken.

Geluidsignalen

Blaffen

Je hebt vast wel eens in het bos een soort geblaf gehoord. Niet van een hond, niet het geluid van een vogel. Maar wat was het dan wel? Waarschijnlijk het alarmsignaal van een ree. Zowel bokken als geiten blaffen. Ze maken een licht hees, kelig, blaffend geluid om andere reeën voor gevaar te waarschuwen, om vijanden bang te maken of om hun territorium af te bakenen. Het geluid is herkenbaar als meerdere korte uitstoten van ‘bhaw – bhauw – bhuaw’.

Fiepen

Vrouwelijke reeën en kalveren hebben contact met elkaar door te fiepen. Kalveren maken een korte hoge toon: ‘fi’ of ‘pfii’. Geiten gebruiken wat meer toonvariaties; meestal klinkt dat als ‘fi-ha’ of ‘fi-ah’. Van hoog naar laag. Met deze geluiden weet de geit waar het kalf is en andersom. Bokken fiepen ook; maar beduidend minder dan geit en kalf. En eigenlijk alleen maar om een geit te lokken.

Lokken

Alle reeën reageren op het fiepen. Door het geluid op een fluit na te bootsen is het mogelijk geiten en bokken te lokken. De geit komt op het geluid van het kalf af en de bok op het geluid van de geit. Reeën lokken door te fiepen is niet eenvoudig. Ze hebben snel door dat er iets niet in de haak is. Om toch succes te hebben is veel oefening en goede fluit nodig.

Het Gewei

Alleen mannelijke reeën, de bokken, hebben een gewei. Dat zijn twee stangen met vertakkingen die bovenop hun kop zitten. Die vertakkingen noemen we enden. Ieder jaar valt het gewei van de kop van de bok; als hij het niet meer nodig heeft. Om vervolgens direct weer aan te groeien zodat het op tijd klaar is om er zijn territorium mee te verdedigen, maar vooral om te imponeren tijdens de bronst en bij het bepalen van zijn territorium. Geweien variëren per bok in vorm en aantal enden. De leeftijd bepalen aan de hand van het gewei – het aantal enden bijvoorbeeld – is niet mogelijk.

Enden

Het gewei van de reebok bestaat uit twee stangen. De stangen staan op benige uitgroeisels op de schedel, de rozenstokken. De rozenstokken groeien het hele leven van de bok door, ze worden ieder jaar dikker. De hoogte van de rozenstokken neemt jaarlijks af. In normale gevallen vormt zich aan de voorzijde van de stang een aftakking: het voorend. Tussen deze en het bovenste eind van de stang ontstaat een aftakking naar achteren: het achterend. Drie enden per stang heet een zesender. Niet vertakte stangen heten spitsers, terwijl een gewei met twee enden per stang een gaffel heet. In uitzonderlijke gevallen komen achtenders of tienenders voor.

Groei

De groei van het gewei, de stop van de groei en het afwerpen, worden gestuurd door hormonen. Het bokkalf ontwikkelt op een leeftijd van drie maanden al rozenstokken. Bij sterke bokkalveren groeit daarop het eerste geweitje dat hooguit enkele centimeters lang en altijd spitser is. Het heeft nog geen rozen. In januari/februari wordt dit geweitje afgeworpen. Daarna begint direct de ontwikkeling van het volgende gewei. Dit eerste echte gewei, dat wel rozen heeft, wordt doorgaans in de late herfst afgeworpen.

Vegen

Als het gewei volgroeid is, stopt de bloedtoevoer. De bast sterft af maar zit nog losjes rondom de stang. Die bast wordt dan van het gewei ‘geveegd’. Het ree beweegt tijdens het vegen het gewei heftig langs stammetjes en twijgen op en neer zodat de bast van het gewei in repen wordt verwijderd.

Bast

Tijdens de groei van het gewei zijn de stangen omgeven door een dichtbehaarde huid, de bast. Deze bast, met daarin talrijke zenuwen en bloedvaten, beschermt en voedt het groeiende gewei.

Vorm

Geweien kunnen qua vorm zeer verschillen; dat is erfelijk bepaald. Afwijkende vormen van geweien worden veroorzaakt door het toenemen van de leeftijd, maar ook door beschadigingen van de bast tijdens de groei, waardoor zich soms meerdere enden vormen. Verder door het afbreken van een stang of een end, of door hormonale storingen. Een bekend voorbeeld is het pruikengewei, de oorzaak is vaak een verwonding van de teelballen van de bok. Een dergelijk gewei wordt niet meer afgeworpen.

Kleur

Het pas geveegde gewei is wit van kleur. Door het vegen dringen bloed van de bast, plantensappen en humus in de poriën van het gewei. Vandaar de donkere kleur. Hoe poreuzer het gewei, hoe donkerder de kleur. Na verloop van tijd worden de stangen door het vegen gepolijst. Het tijdstip van het vegen hangt af van het weer. Na een strenge winter vegen de bokken iets later. Als regel vegen de oude bokken het eerst, vanaf midden februari, de jonge wat later, de jaarlingen tot eind mei, soms begin juni. Maar dit is geen ijzeren wet. Je kunt dus niet met zekerheid zeggen dat een bok die in begin maart met een volledig geveegd gewei rondloopt, beslist een hele oude moet zijn. Dat kan ook wel een twee- of driejarige zijn.

Afwerpen

Testosteron bepaalt het moment van afwerpen van het gewei. Wanneer de werking van het geslachtshormoon hiervan na de bronsttijd afneemt, wordt op de grens tussen de rozenstok en de roos het benige materiaal opgelost. Op een gegeven ogenblik is een geringe aanraking al voldoende om het gewei te laten afvallen. De afwerpperiode ligt tussen begin oktober en eind december. Meestal werpt een oudere bok eerder af dan een jongere.

Hoefjes

Het ree behoort tot de orde van evenhoevigen; net zoals het damhert, het edelhert en het wilde zwijn. Ze hebben vier tenen. Op twee daarvan lopen ze; die tenen heten hoefjes. De andere twee tenen, de achtertenen, zitten wat hoger aan de onderpoot en hebben nauwelijks nog een functie. Ze worden alleen nog gebruikt inn gebieden met een zachte ondergrond: denk aan veen- en moerasgebieden. Ze zijn rudimentair; ze verdwijnen langzaam.

Het spoor, ook wel prent genaamd, van een ree bestaat uit de afdruk van de hoefschalen op de grond. Aan de grootte van de afdrukken kun je zien of er een volwassen ree of een kalf heeft gelopen. Heeft het rustig gestapt, dan zie je de afdrukken van voor- en achterpoten vlak bij elkaar of over elkaar. Is het ree op de vlucht geweest, dan zijn de afdrukken van de hoefschalen gespreid. In een zachte bodem zie je dan ook de afdrukken van de beide achtertenen.

Tijdens het lopen of krabben in de grond wordt een geurstof uit de geurklieren tussen de hoefjes van de achterpoten naar buiten geperst. Zo wordt een reukspoor gevormd. Ieder ree is daaraan individueel te herkennen. Op deze manier wordt ook het territorium afgebakend. (zie ook: de neus)

 

De Neus

Het reukvermogen is het belangrijkste en best ontwikkelde zintuig van het ree. Is het reukvermogen van een hond honderdduizend keer sterker dan van de mens, het ree ruikt nog beter dan een hond. Meer vierkante centimeter met reukepitheel met daar weer meer reukcellen op. Ook de constant vochtige neusslijmvliezen maken het reukoppervlak nog groter. De afstand tot waarop een ree bijvoorbeeld menselijke geuren kan waarnemen is waarschijnlijk zo’n 300 tot 400 meter. Uiteraard afhankelijk van de windrichting; tegen de wind in ruikt het ree natuurlijk veel minder goed.

Bij het zoeken naar voedsel speelt het reukvermogen een belangrijke rol. De geur van een plant bepaalt of die wel of niet eetbaar is. Ook bij het onderlinge contact gebruikt een ree steeds zijn neus. Kalveren herkennen hun moeder door de geur en uiteraard herkennen geiten daardoor hun kalfjes. Bij de voorplanting zijn geuren zelfs essentieel. Zodra een geit in haar vruchtbare fase komt (hormonaal gestuurd) wordt dat door de bok gesignaleerd en zet het bij hem zijn voortplantingsdrift in gang. Kortom: geuren bepalen voor een heel groot deel de gedragingen van het ree.

Ogen

Reeën zien niet zo goed als dat ze kunnen horen en ruiken. Toch moeten ze het vaak wel van hun ogen hebben. Zeker wanneer ze eten en dan op hun kwetsbaarst zijn. Als ze op het veld in een groepje bij elkaar staan, is er altijd wel een ree dat steeds de kop laat zakken en net doet alsof het graast. Ziet het vanuit de ooghoeken – reeën hebben een gezichtsveld van 280 graden – een beweging, dan gaat de kop snel omhoog. Is er ogenschijnlijk niets aan de hand, dan gaat het weer door met grazen om dan toch weer snel met de kop omhoog te komen; we noemen dat schijnazen. Dat wat zenuwachtige gedrag, het ‘zekeren’, is bedoeld om in te schatten of er gevaar dreigt. Vooral bewegingen en grote objecten worden gezien; met name in een horizontaal vlak.

Zit je op de hoogzit, dan zal het ree je niet opmerken. Loop je – uiteraard tegen de wind in – heel langzaam recht op een ree af, dan zal hij je pas heel laat in de gaten hebben. Hij ziet namelijk ook heel beperkt diepte.

Lang werd gedacht dat hertachtige weinig tot geen kleuren zien. Recent onderzoek heeft uitgewezen dat in het blauwe deel van het kleurenspectrum hertachtige wel degelijk kleur zien. Dat is de reden dat in sommige provincies de witte reflectoren langs de weg steeds vaker worden vervangen door blauwe. Mensen die dus in een blauwe jas en spijkerbroek reeën gaan spotten, hebben grote kans zelf eerder te worden gezien dan dat zij de reeën zien.

Oren

Reeën horen uitstekend. De zeventien spieren in hun lange oren maken het mogelijk dat ze de oorschelpen afzonderlijk kunnen draaien. Hebben ze letterlijk onraad geroken of zijn ze gealarmeerd door een beweging, dan gaat de kop omhoog en zie je de oren als satellietschotels draaien om meer informatie te verzamelen. Op deze manier bepalen ze ook uit welke richting het geluid komt.

Het ree weet uitstekend welk geluid wel of geen gevaar betekent. Het went aan veel voorkomend geluid, ongeacht het volume. Het geluid van de trekker van de boer, de motorzaag van de bosbouwer of een overvliegende straaljager verontrust ze niet. Van een zacht geluid zoals van een brekend takje slaan ze direct op de vlucht.

Er staan geregeld reeën langs de weg te eten. Soms op enkele meters afstand van de voorbij razende auto’s en vrachtwagens. Noch het geluid, noch de beweging stoort ze; ze vreten rustig door. Maar als een auto plotseling stopt, dan zijn ze meteen weg.

Spiegel

Reeën hebben een staartje, dat echter niet zichtbaar is. Op hun kont hebben reeën wel een grote zichtbare witte vlek: de spiegel. Geiten hebben onderaan hun spiegel een soort staartje  of sikje van haar, hangen: het schortje. Het bedekt de geslachtsopening. Bij bokken ontbreekt dat.

De spiegel van geiten heeft de vorm van een omgekeerd hart. Bij bokken is de vlek meer niervormig; met de bolle kant naar boven.

Behalve bij kalfjes is de spiegel altijd goed zichtbaar; met wel grote verschillen in kleur tussen de zomer (witgeel) en de winter (vuilwit). In principe is het schortje wit maar door ontlasting of verharing kan de kleur donkerder zijn. Bij gevaar of tijdens de bronst worden de haren overeind gezet waardoor de spiegel groter lijkt en nog beter zichtbaar is. Deze signaalfunctie functioneert ook als communicatiemiddel tussen geiten en hun kalfjes.

Vacht

Het ree heeft zomerhaar of winterhaar. De beharing in de winter bestaat uit dekharen met daaronder een dichte wollige onderbeharing. Het onderhaar is heel dun en krullend en dient als bescherming tegen de kou. In de zomer is de beharing glanzend bruinrood; soms met afwijkingen van oranjerood tot vaalgeel. Zonlicht bleekt de kleur in de loop van de zomer.

In het voorjaar, vanaf begin mei, kunnen reeën er bijzonder ‘mottig’ uitzien. Het winterhaar valt in plukken uit en het dunne, kortere zomerhaar komt tevoorschijn. Het verharen begint eerst bij de kop, daarna op de schoft en aan de onderkant van de hals, en vervolgens rond de spiegel en op de flanken. Daarna verhaart pas de hals en als laatste de rug. De voorjaarsverharing is rond het begin van de zomer klaar.

Vanaf eind augustus groeit het grijze winterhaar door het rode zomerhaar heen. Beginnend aan de kop, vervolgens de hals en dan de rest van het lichaam. Het tijdstip van verharen kan variëren. Dat hangt af van de weersomstandigheden, de leeftijd en de gezondheid van het ree. In het algemeen verharen jonge en gezonde reeën eerder dan oude of zieke dieren.

Voeding

Het ree is een herkauwer, net als een koe. Hij is vegetariër want eet alleen plantaardig voedsel. En net als koeien hebben reeën vier magen: de pens, de netmaag, de boekmaag en de lebmaag. Het grootste deel van de dag, zo’n twaalf tot veertien uur, is het ree aan het eten en herkauwen. Afhankelijk van het jaargetijde is dat in de zomer tien tot twaalf keer en in de winter een stuk minder: zes tot zeven keer. In de zomer zijn ze ’s nachts actiever dan in de winter; dan ligt het accent meer op de middaguren.

Reeën hebben in verhouding tot hun lichaamsgrootte een kleine pens. De pens is wel voorzien van veel plooien waardoor de totale oppervlakte toch nog aanzienlijk is. Reeën verteren het voedsel sneller dan grote herkauwers. Maar door de kleinere pens moeten ze vaker eten, bij voorkeur licht verteerbaar, eiwitrijk voedsel. In de boekmaag wordt het vocht uit het voedsel gehaald. Dat werkt zo goed dat reeën heel weinig water drinken. Het voedsel biedt voldoende vocht. De keutels van een ree noemen we boonsel.

We zien reeën vaak in weilanden staan. De indruk zou kunnen ontstaan dat ze dan gras eten. Niets in minder waar want gras is maar 1-2 % van hun dieet. Het ree is namelijk een lekkerbek. Als echte snoeper zoekt hij tussen het gras naar kruiden. In het bos zoekt het ree knoppen en jonge blaadjes van bomen en struiken. In beukenbossen is in het voorjaar vaak een groene waas van ontkiemende beukennootje te zien. Plotseling zijn ze weer weg want ten prooi gevallen aan het ree. Die is er dol op.

Voortplanting

De bronsttijd, de paringstijd van reeën, is van half juli tot half augustus. Op de leeftijd van een jaar zijn reegeiten in principe geslachtsrijp. Slecht ontwikkelde vrouwelijke reeën worden in de na-bronst beslagen of ze slaan een jaar over. Reebokken zijn ook vruchtbaar vanaf een jaar. In een gezonde reeënpopulatie, met een goede leeftijdsopbouw en geslachtsverdeling, nemen jaarlingen als regel nog niet deel aan de voortplanting.

Bronstige geiten scheiden geurstoffen af die de bokken aantrekken. Ook produceren de geiten in deze tijd een ‘fiepgeluid’ waar de bok op afkomt. De geiten zijn drie tot vier dagen bronstig. Omdat de geit lang niet altijd direct bereid is tot paring, vinden er regelmatig wilde achtervolgingen plaats totdat de geit aangeeft dat ze bereid is. Overigens een prachtig schouwspel. De paring zelf duurt maar enkele seconden. 

Nadat de bok verschillende malen de geit heeft beslagen, verlaat hij de geit en gaat op zoek naar een andere bronstige geit. De beslagen geit gaat weer naar haar kalveren die ze tijdens het liefdesspel heeft verlaten.

Gedurende de bronsttijd verliezen de bokken behoorlijk wat lichaamsgewicht, tot wel 25%!

Na de paring komt de bevruchte eicel in de baarmoeder terecht. In twee weken deelt de eicel snel en ontstaat er een kiemblaasje van ruim 1 mm grootte. Daarop volgt een 4 1/2 maand durende kiemrust (diapauze) zonder zichtbare ontwikkeling. Dit is een uitgestelde implantatie. Vanaf midden-december ontwikkelt het embryo zich snel.