Populatiebeheer van reeën

Alle reeën die in een bepaald gebied leven, vormen samen een populatie reeën. Anno 2017 is de populatie in heel Nederland naar schatting ruim honderdduizend reeën groot. Omdat de komst van de wolf en lynx nog wel even op zich laat wachten heeft het ree voorlopig geen natuurlijke vijand. Om de populatiegroei toch in goede banen te leiden, in zoverre dat mogelijk is, is beheer noodzakelijk. Al was het maar vanwege de verkeersveiligheid. En omdat de komst van de wolf nog wel even op zich laat wachten heeft het ree voorlopig geen natuurlijke vijand. Dus moet de mens die rol van predator maar gaan vervullen. Maar dat kan niet zomaar. We moeten dan wel alles weten van het ree en kundig omgaan met de middelen voor populatiebeheer .

Geslachtsverhouding

Er worden ongeveer evenveel mannelijke en vrouwelijke kalveren geboren; net iets meer vrouwelijke dan mannelijke. Waar dat precies aan ligt is niet duidelijk. Mogelijk hebben voedselaanbod, ziektes, natuurlijke sterfte, strenge winters, recreatiedruk, urbanisatie en draagkracht van het gebied invloed. Dat geldt zeker voor het aantal aanwezige reeën (dichtheid) in een gebied maar of dat ook voor de geslachtverhouding geldt is onzeker.

populatie tellen

De aanwas

De cijfers die als basis voor het populatiebeheer worden gebruikt hebben 1 april als peildatum. De jaarlijkse aanwas bestaat uit de kalveren die worden geboren uit het aantal vrouwelijke reeën dat op 1 april aanwezig is. Smalreeën krijgen nog geen kalveren, maar omdat ze bij tellingen in het voorjaar niet altijd meer duidelijk van de geiten zijn te onderscheiden, worden ze geteld als geit. De aanwas is natuurlijk niet altijd en overal gelijk. Dat kan schommelen tussen 70 en 150%. Afhankelijk van de populatiedichtheid – hoeveel reeën zijn er werkelijk in een gebied – kan de sterfte onder kalveren oplopen van 25 tot 75%. 

Draagkracht

Aan de hand van tellingen en draagkracht wordt een beheerplan (afschotplan) opgesteld. Zo’n plan is trouwens noodzakelijk om van de Provincie een aanwijzing of een ontheffing te krijgen om reeën te mogen doden. Het ree is een beschermde soort en wordt dus niet bejaagd; slechts beheerd. Draagkracht in het kader van populatiebeheer gaat over ecologische draagkracht. Hoeveel reeën kunnen er in een gebied leven, zonder ingrijpen van de mens? Maar het gaat ook over het draagkrachtmodel van Van Haaften: wat is de maximale draagkracht op basis van grenslengte tussen bos en veld, het percentage akker en weide, het percentage permanente dekking, de aanwezige boomsoorten en de zuurtegraad van de bodem? En tenslotte gaat het over de maatschappelijke draagkracht: bij welke dichtheid accepteren we de aanwezigheid van het ree nog? Wanneer is overmatige schade aan landbouw, verkeer en persoonlijke bezittingen reden om in te grijpen? Een recent voorbeeld is de damhertenproblematiek in de Amsterdamse waterleidingduinen (AWD). Daar botsten de belangen van aanhangers van de ecologische draagkracht en van de maatschappelijke draagkracht. Uiteindelijk is besloten om de aantallen fors terug te brengen met afschot als beheermethode.

Tellingen

Het beheer van de reeën in ons land wordt per provincie in een Faunabeheerplan (FBP) vastgelegd en verder uitgewerkt in de werkplannen die de Wildbeheereenheden (WBE) jaarlijks opstellen. De tellingen die nodig zijn voor de cijfermatige onderbouwing van het faunabeheerplan van de Fauna Beheereenheid (FBE) en de werkplannen van de WBE’s worden in principe één maal per jaar gedaan. De data worden vastgesteld door  de FBE. Tussen eind maart en begin april is de beste periode. De wintersterfte heeft dan plaatsgevonden en er zijn nog geen nieuwe kalfjes. Er is nauwelijks blad aan bomen en struiken dus de reeën zijn goed zichtbaar. Het gras begint, net als de kruiden, te groeien waardoor reeën graag naar ‘buiten’ gaan, het veld op, om  te foerageren.

Het is niet mogelijk om in een gebied exact alle reeën te tellen omdat je ze eenvoudigweg niet allemaal te zien krijgt. Uit onderzoeken blijkt dat vaak maar 50 tot 60% wordt geteld. Vroeger werden daarom de resultaten met een factor anderhalf of twee vermenigvuldigd. Dat zou dan bij benadering de populatiegrootte zijn.

Telprotocol VHR

In februari 2014 heeft de VHR een nieuw telprotocol ingevoerd. Dat is een zogenaamde trendtelling. Je telt uiteraard wat je ziet maar dat is het dan ook. Het telresultaat is het minimaal aanwezige aantal reeën in een gebied. Vaak aangeduid met de Engelse term: Minimum Number Alive (MNA). Door de resultaten jaarlijks met elkaar te vergelijken is het mogelijk om een trend te onderscheiden in de ontwikkeling van de reeënpopulatie; afname, stabilisering of toename. Wanneer deze gegevens worden aangevuld met jaarrondtellingen, dan ontstaat er een redelijk beeld van de aanwezige reeën.